(Is de) Houdbaarheid (van de) Euthanasiewet verstreken?

Jacob Kohnstamm, voorzitter van de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie (RTE’s), zegt in de Trouw van 21-11-2020, dat de regels voor euthanasie bij ernstig dementerenden zijn verruimd. De vernieuwing van de RTE-code houdt in: 1. er is geen juridisch perfecte schriftelijke wilsverklaring nodig ; 2. de arts mag met de familie interpreteren wat de patiënt heeft bedoeld; 3. de arts hoeft geen mondelinge bevestiging van de Euthanasiewens meer te vragen; en 4. de arts mag voorafgaande aan de Euthanasie eventueel een slaapmiddel geven. Echter: 5. in de code blijft het oordeel over Ondraaglijkheid en Uitzichtloosheid aan de arts voorbehouden. Dat is te subjectief, zie Arts en Euthanasie.

ND vindt deze code ondanks de goede bedoelingen een lapmiddel.

De vernieuwde code is immers geen oplossing voor de problematiek van de (subjectieve) toepassing van de zorgvuldigheidseisen. Het gaat met name om de Ondraaglijkheid en Uitzichtloosheid van het lijden. De code stelt (vet door ND): “De vaststelling of er feitelijk1 sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden is een medisch2professioneel3 oordeel en derhalve voorbehouden aan de arts. De toetsing achteraf (…) komt neer op een marginale4 toetsing (…)”. Dat oordeel is subjectief, want wat is “feitelijk1” en “marginaal4”? En waarom per definitie “medisch2”? Er kan sprake zijn van een medisch prima functionerend lichaam, maar van onoverkomelijke psychische of psychiatrische problemen of van intens lijden aan het (voltooide) leven. Er zijn niet voor niks zoveel mensen die op zoek zijn naar het Laatste Wil Middel, waarschijnlijk omdat ze het zogenaamde professionele oordeel over hun lijden niet aan een arts durven toe te vertrouwen. De Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde en de Coöperatie Laatste Wil hebben samen een kleine 200.000 leden. 200.000!

Is het medisch-professionele oordeel überhaupt “professioneel3”? Bestaat niet het probleem dat een arts simpelweg niet in staat is de zorgvuldigheidseis Ondraaglijk lijden toe te passen, bij welke patiënt dan ook? Bij die toepassing ontbreken immers objectieve criteria (artsen krijgen in hun opleiding zulke criteria ook niet aangereikt). Bv. (Volkskrant 13-11-2020): een arts stelde wel ondraaglijk lijden vast en paste Euthanasie toe, maar de RTE oordeelde “onzorgvuldig”, omdat de arts niet had mogen concluderen dat haar patiënte ondraaglijk leed (het OM zag overigens af van vervolging). De tegengestelde meningen ontstaan omdat iedere arts uitgaat van het eigen referentiekader.

En daarnaast: kan de arts bij een patiënt de zorgvuldigheidseis Uitzichtloosheid toepassen? Nee, hooguit met betrekking tot de onbehandelbaarheid van de ziekte en een inschatting van de globale resterende “tijd van leven”. Bijvoorbeeld de diagnose dat een patiënt terminaal is en nog een paar maanden heeft; of dat de patiënt lijdt aan een ziekte die sowieso na meer of minder tijd tot de dood leidt (zoals Alzheimer en Parkinson). Maar uitzichtloos in de zin van dat het leven op zich geen uitzicht biedt? Dat heeft geen arts geleerd.

Alleen de patiënt of cliënt kan ondraaglijk en/of uitzichtloos lijden bepalen of de wilsonbekwame patiënt kan dat eerder wilsbekwaam hebben bepaald.

In de vernieuwde RTE-code behoudt de arts de beoordeling van ondraaglijk en uitzichtloos lijden die voorafgaat aan het al dan niet verlenen van stervenshulp. Dat houdt echter een juridisch probleem in. Een groep artsen die ik heb geïnterviewd zegt unaniem dat ze weten geen oordeel uit te kunnen spreken over ondraaglijk en/of uitzichtloos lijden. Het roept de vraag op: als op basis daarvan een arts toch een Euthanasieverzoek afwijst, handelt de arts dan in principe onrechtmatig? Brengt de arts schade aan bij de cliënt die Euthanasie wordt geweigerd? Zo ja: dan is het absoluut noodzakelijk dat de Euthanasiewet ingrijpend op de helling moet.

Zelfs rijst de vraag of de Euthanasiewet misschien feitelijk immoreel is? Waarom?

Nederland wordt geteisterd door inadequate regelgeving, omdat we op een regel uitzondering na uitzondering en daarop weer een uitzondering toestaan. Zulk hak- en plakwerk is zeker m.b.t. de toepassing van de Euthanasiewet en stervenshulp ongewenst. De hele Euthanasiewet met de zorgvuldigheidseisen moet verdwijnen en plaats maken voor bijvoorbeeld de Alternatieve route Euthanasie. In dit alternatief behoudt de patiënt de eigen regie, daarbij zorgvuldig ondersteund door een gekwalificeerde levenseindebegeleider (liefst door de huisarts). Door het niet hoeven toepassen van de zorgvuldigheidseisen uit de Euthanasiewet houdt deze route de artsen totaal uit de wind. Dat is noodzakelijk.

Kohnstamm zegt: “Ze (de artsen WvD) hoeven minder bang te zijn voor justitie of voor de toetsingscommissie” en: “We moeten de arts deze lijdensweg niet meer aan doen”. Hopelijk vindt hij ook dat we patiënten de lijdensweg van een geweigerde Euthanasie niet meer moeten aandoen, dat is het belangrijkste.